HARTONDERZOEK BIJ RUIM 1000 IERSE WOLFSHONDEN
RESULTATEN, OVERLEVINGSKENMERKEN, TAURINECONCENTRATIES IN HET
BLOED EN AANGEBOREN DCM
door Andrea Vollmar
Op 30 april 2004 hield dr Andrea C. Vollmar bijgaande lezing op het congres van de Federatie Europese Ierse Wolfshonden Clubs (EIWC), die we hier in de Shamrock afdrukken, waarbij de medische termen daar waar mogelijk zijn verklaard. Het oorspronkelijke artikel is zowel in het Engels als het Nederlands op aanvraag te verkrijgen bij het secretariaat van de S.I.W, Stuurboord 68, 1435 PD Rijsenhout, 0297-327639. E-mail: S.I.W@tiscali.nl |

Onder het Ierse Wolfhondenras komt de hartaandoening Gedilateerde Cardiomyopathie
(DCM) vaak voor, evenals een verscheidenheid aan hartritme- en geleidingsstoornissen,
met Atrium Fibrillatie ( onregelmatige samentrekking van de hartspier) als de
meest voorkomende hartritmeafwijking.(1-8*)
Een aantal onderzoekers heeft melding gemaakt van hartritmestoornis bij Ierse
Wolfshonden. Bij een onderzoek in Groot-Brittannië van 496 Ierse Wolfshonden
werden bij ruim 22 % van de honden hartritmestoornissen ontdekt. Atrium Fibrillatie
(AF) was de meest voorkomende hartritmeafwijking die aangetoond werd bij 10,5%
van de honden die in leeftijd varieerden van 10 maanden tot 9 jaar en 3 maanden.(1*)
Er werd ook melding gemaakt van Atrium Fibrillatie bij 25 Ierse Wolfshonden
uit New England, V.S. (gemiddelde leeftijd 4,5 tot 5 jaar) met en zonder open
DCM.(2*) In een studie naar hartonderzoekwaarin opeenvolgende echocardiografische
en ECG onderzoeken van 232 Ieren uit Noordwest-Europa werden beoordeeld, (7*)
werd bij 30 honden die aan DCM leden Atrium Fibrillatie geconstateerd, evenals
bij 19 honden met een relatief normale echocardiogram.
Nog eens 21 honden met DCM hadden een onregelmatige hartwerking. In hart- en
vaatonderzoeken bij 500 IW's uit Noordwest-Europa, werd bij ruim 21 % een verband
gelegd tussen Atrium fillibratie en DCM, terwijl 8 (16%) honden AF hadden zonder
dat er sporen waren van DCM.6 Terwijl in een bepaald onderzoek² bij een
relatief klein aantal honden de auteur concludeerde dat bij de meerderheid van
de Ierse Wolfshonden Atrium Fibrillatie goed verdragen wordt en niet verantwoordelijk
kan worden gesteld voor de ontwikkeling van hart- en vaatstoornissen, maakten
andere auteurs(5*) melding van vergroting van de hartkamer die de ontwikkeling
van DCM en hartstilstand tot gevolg hadden bij een aanzienlijk aantal Ierse
Wolfhonden dat in eerste instantie als enige afwijking AF vertoonde.
Van de 115 Ieren met AF, waren 42 honden niet meer te achterhalen voor een follow-up,
13 stierven aan een niet-verwante ziekte, 6 stierven er plotseling en 39 honden
ontwikkelden klinische tekenen van DCM en CHF (graad van hartfalen) na een periode
van gemiddeld 2 jaar en 3 maanden bij reuen en 2 jaar bij teven.
Al eerder zijn bij diverse soorten onderzoeken verschillende stadia van DCM
bij Ieren gemeten en vastgesteld.(9.10*) In een genetisch onderzoek van een
tak van Ierse Wolfshonden uit dezelfde lijn was er sprake van genetische betrokkenheid
van DCM, met een vermoeden van een dominante vorm van erfelijkheid. Maar door
inteelt, grote worpen en een late start in sommige gevallen, konden andere vormen
niet volledig uitgesloten worden.(11*)
Het doel van dit onderzoek over een lange periode was niet alleen de invloed van DCM te bepalen en het tijdsverloop en de erfelijkheid van de ziekte bij een groot aantal soortgenoten vast te stellen, maar ook om informatie in te winnen - en te beoordelen - over de levensverwachting van Ierse Wolfshonden, de algemene uitwerking van DCM op die verwachting en om uit te vinden of de taurineconcentraties in het bloed te laag zouden kunnen zijn bij een belangrijk aantal van deze grote rashonden.
C. Vollmar, DECVIM, Small Animal Veterinary Clinic, Heisterstr.
5, D-57537 Wissen, Duitsland;
Philip R Fox, DACVIM, ECVIM , The Animal Medical Center, 510 East 62nd St.,
New York, NY 10021-8383 USA;
Bruce W Keene, DACVIM, North Carolina State University, College of Veterinary
Medicine, Raleigh, NC / USA
Vincent Biourge, Royal Canin, Centre de Recherche, F-30470, Frankrijk Ottmar
Distl, Cornelia Broschk, Institute of Animal Breeding and Genetics, School of
Veterinary Medicine Hannover, D- 30559 Hannover, Duitsland
| De methoden |
![]() |
Ruim 1000 Ierse wolfhonden in Nederland, België
en Duitsland werden de afgelopen jaren onderzocht op de aanwezigheid van
DCM door een medische keuring, electrocardiografie, en zogenaamde 2 D-
en M-mode echocardiografie door een onderzoeker (A.V.) als onderdeel van
een toekomstig onderzoek over een lange periode. Onderzoekscriteria voor DCM bevatten een aantal echocardiografische parameters, extra metingen van de hartkamers voor de opsporing van hartverwijdingen en de aanwezigheid van Atrium Fibrillatie of andere ritmestoornissen afkomstig van ECG-registratie. Bij honden met een gevorderd stadium van DCM, werd de aanwezigheid en de graad van hartfalen (CHF) beoordeeld aan de hand van röntgenfoto's. Na het eerste onderzoek werden de honden iedere 6 tot 12 maanden of wanneer maar mogelijk opnieuw onderzocht. Fokkers en eigenaren werden gevraagd de sterfdatum en de omstandigheden waaronder de dood plaatsvond te melden. |
| Invloed en karakterisering van DCM |
Gebaseerd op evaluaties over een lange periode van een groot aantal Ierse Wolfhonden (meer dan duizend) gedurende een periode van 12 jaar, werd DCM en/of Atrium Fibrillatie geconstateerd bij bijna eenderde van de honden. De reuen waren hierin oververtegenwoordigd. De gemiddelde leeftijd van de honden op het moment van de diagnose van DCM was ongeveer 4 jaar. Dieren met een falende hartwerking werden het vaakst gekenmerkt door zogenaamde pleurale effusie (vochtophoping in de ruimte rond de longen) met enige mate van pulmonare edema (vochtophoping in de longen).Vochtophoping in de buik werd minder waargenomen.. Hoewel bij sommige Ieren AF was ontdekt, maar in eerste instantie zonder echocardiografisch bewijs van DCM, ontwikkelden deze dieren later open DCM.
| Het effect van DCM op overleving |
Informatie over overleving was beschikbaar van meer dan 400 honden van wie
melding gemaakt was van de doodsoorzaak. Van hen leed ongeveer de helft aan
cardiomyopathie. Bovendien was van 350 honden bekend dat ze nog leefden op het
moment waarop dit geschreven is. Bij iets minder dan eenvijfde van deze honden
was DCM geconstateerd.
Kaplan-Meier overlevingscurven werden gemaakt vanaf de geboortedatum tot de
sterfdatum van honden die aan DCM gestorven waren, en van honden met een andere
doodsoorzaak en zonder tekenen van DCM. De overlevingscurven werden vergeleken
door middel van de Log Rank test waarbij belangrijke verschillen tussen de groepen
werden gevonden. De gemiddelde levensverwachting van de Ierse Wolfhonden die
tot op heden zijn gestorven, was ongeveer 6 jaar. DCM had een duidelijk en statistisch
belangrijk tegengesteld effect op overleving, maar door de aanleg van Ierse
Wolfhonden voor een aantal andere ziektecomplexen met een negatieve invloed
op hoge ouderdom, was het DCM-effect op overleving bij dit ras niet zo groot
als algemeen beschouwd wordt bij andere rassen.
Het gemiddelde 'overlevingsvoordeel' van honden die niet leden aan DCM was ongeveer
5 maanden vergeleken met honden die aan DCM stierven.
| Taurineconcentraties in het bloed bij Ierse Wolfhonden |
Taurine is een zwavelhoudend aminozuur en belangrijk voor de normale hartfunctie. Een lage concentratie taurine in het bloed is onlangs gevonden bij honden van verschillende rassen die DCM hadden en bij een aanzienlijk deel van de Newfoundlanders, ook een typische grote rashondensoort. Toevoeging van taurine of verandering van de proteïnebron in het dieet resulteerde in een algemene verbetering in de functie van de linker ventrikel (hartkamer).
Tijdens hartonderzoeken werden er bloedmonsters verzameld van meer dan 100
Ierse Wolfhonden om de taurineconcentraties in het bloed te kunnen vaststellen.
Bijna de helft van hen leed aan DCM. Uit hun voedingsgeschiedenis bleek dat
de meeste honden een aantal verschillende soorten complete en uitgebalanceerde
fabrieksvoedingen kregen. Ongeveer de helft van de honden die niet aan DCM leden
en de honden met DCM hadden een taurineconcentratie in het bloed van < 200
nmol/ml wat als de lage normale grens wordt opgegeven.
Maar in beide groepen was het percentage honden met een zeer lage taurineconcentratie
in het bloed (<130 nmol/ml) laag. Vooronderzoeken naar de voedingsgeschiedenis
van de honden geven geen duidelijke en constante associatie tussen de dieet-
en taurinestatus. Enkele soorten fabrieksvoedingen resulteerden consequent in
taurineconcentraties in het bloed van > 200 nmol/ml, terwijl andere diëten
resulteerden in taurineconcentraties in het bloed uiteenlopend van zeer laag
tot de hoge normale reeks.
De resultaten maken duidelijk dat net als bij de Newfoundlanders, de Ierse Wolfhonden
een aanzienlijke prevalentie hebben van een licht tot een matig taurinetekort
wanneer zij complete en uitgebalanceerde fabrieksvoedingen krijgen.
Vooronderzoeken geven niet aan dat het tekort aan taurine bij Ierse Wolfshonden
een onderliggende oorzaak is van de ontwikkeling van DCM, maar bij een ras met
een genetische aanleg voor DCM, zou een systemisch tekort aan taurine moeten
worden vermeden omdat het kan bijdragen aan een snellere voortgang van de ziekte.
| Aangeboren DCM bij Ierse Wolfshonden: ingewikkelde afscheidingsanalyse |
We analyseerden de modus van aangeboren DCM met gebruikmaking van diverse soorten
testmodellen voor verschillende mechanismen van genetische transmissie. Voor
enkele honden waren er tot 15 generaties beschikbaar.
DCM wordt bij Ierse Wolfhonden genetisch overgedragen. De modus van erfelijkheid
is complex en behelst zowel hoofdgenen als veranderde genen. Ongeveer de helft
van het nageslacht van de aan DCM lijdende Ierse Wolfhonden maken kans DCM te
ontwikkelen.
Gezien de hoge prevalentie van DCM bij Ieren, is het van het grootste belang
het fokklimaat te verbeteren en de verbreiding van deze kwaal te verminderen.
Aan een procedure om gelijktijdig de fokwaarden en de schatting van genotype
kansen op DCM bij individuele honden te voorspellen, wordt gewerkt om zo de
fokprogramma's merkbaar te verbeteren.
Genetisch onderzoek zal worden voortgezet voor de identificatie van de mutatie
van de hoofd-gen die verantwoordelijk is voor DCM.
Op dit moment zijn gestandaardiseerde hartonderzoeken inclusief ECG en echo
de beste methoden om DCM bij honden te diagnosticeren In enkele Europese landen
hebben fokkers al geprobeerd deze veel voorkomende ziekte bij Ierse Wolfshonden
te verminderen door selectieve voortplanting. Een groot probleem is dat zelfs
als er regelmatig ECG- en ultrageluidonderzoeken worden gedaan bij een fokkerij,
sommige honden al nageslacht kunnen hebben tegen de tijd dat de ziekte wordt
gediagnosticeerd.
| Suggesties van de auteur |
1) Bij alle rashonden zou jaarlijks een hartonderzoek moeten worden gedaan en niet alleen zolang ze voor het fokken gebruikt worden, maar ook in hun latere leven om er voor te zorgen dat ze geen DCM ontwikkelen. Bewezen gezonde (> 8 jaar oude) ouders en grootouders leveren de waardevolste informatie op wat betreft de kans op ontwikkeling van DCM bij een hond die nu als fokhond gebruikt wordt.
2) Hartonderzoeken moeten gestandaardiseerd zijn en alle resultaten moeten centraal geregistreerd worden en beschikbaar zijn voor officiële publicatie.
3) Het aantal worpen per hond moet voorlopig beperkt worden
tot een maximum (voorstel: 5 worpen).*
Het is tegenwoordig mogelijk sperma van dekreuen te bewaren en pas te gebruiken
als de hond geen DCM blijkt te hebben ontwikkeld.
Meer worpen zijn toegestaan bij honden van wie zowel de beide ouders als alle
vier de grootouders een bewezen normaal hart hebben (dat wil zeggen bij herhaald
onderzoek en nog steeds normaal op of na achtjarige leeftijd).
*Noot S.I.W. (opgenomen in de S.I.W. criteria):
Fokteven mogen maximaal drie (3) nesten krijgen, waarbij zij bij het derde nest
niet ouder mogen zijn dan zes (6) jaar, op die voorwaarde dat ze in een optimale
conditie zijn.
Dekreuen mogen gedurende hun leven maximaal vijf (5) dekkingen (resulterend
in een nest) geven aan teven die voldoen aan voormelde voorwaarden en qua bloedlijn
zo divers mogelijk zijn.
* Referenties
1. Brownlie SE: An electrocardiographic survey of cardiac rhythm
in Irish wolfhounds. Vet Rec 1991:129:470-1.
2. Harpster NK: Cardiac arrhythmias in the Irish wolfhound:
preliminary study. In: Harp & Hound. San Francisco: Proceed. 12th ACVIM
Forum 1994;1:17-22.
3. Sisson DD, Thomas WP: Myocardial diseases. In: Ettinger
SJ, Feldman EC. eds. Textbook of veterinary internal medicine. Philadelphia:
WB Saunders, 1995:995-1005.
4. Vollmar AC: Kardiologische Untersuchungen beim Irischen
Wolfshund unter besonderer Berücksichtigung des Vorhofflimmerns und der
Echokardiographie.
Kleintierpraxis 1996;41:393-468.
5. Brownlie SE, Cobb MA. Observations on the development of
congestive heart failure in Irish wolfhounds with dilated cardiomyopathy. J
Small Anim Pract. 1999;40:371-377.
6. Vollmar AC: The prevalence of cardiomyopathy in the Irish
wolfhound: A clinical study of 500 dogs. J Am Anim Hosp Assoc 2000; 36:125-32.
7. Vollmar A, Fox PR. Clinical, echocardiographic, and ECG
findings in 232 sequentially examined Irish wolfhounds. J Vet Int Med. 15;279,
2001.
8. Brownlie SE: Atrial fibrillation in the dog. Birmingham:
Proceed BCVS meeting 2003, Dec.
9. Vollmar A: Echocardiographic measurements in the Irish wolfhound,
reference values for the breed. J Am Anim Hosp Assoc 1999;35:271-7.
10. Vollmar A: Use of echocardiography in the diagnosis of
dilated cardiomyopathy in Irish wolfhounds. J Am Anim Hosp Assoc 1999;35:279-83.
11. Cobb MA, Brownlie SE, Pidduck HG, Batt RM: Evidence for
genetic involvement in dilated cardiomyopathy in Irish wolfhounds. Proceed,
Brit Sm Anim Vet Assoc Congress, Birmingham UK, 1996, April; 215.
N.B. Lees ook: DCM door Andrea Vollmar